"Gelukkig 2018!", stuurde de politieke partij waar ik lid van ben mij per e-mail net voor de jaarwisseling. Want, zo stelde zij, een goed 2012 is één ding, maar het liefst wilden ze ook nog een goed 2018. Voor mij een reden om na te denken wat 2018 en nog veel later mij zou kunnen brengen. Of kunnen kosten natuurlijk.
Ik zal daarom een aantal ontwikkelingen en voorspellingen op een rijtje zetten.
Te beginnen met mijn inkomenspositie. In 2018 heb ik hopelijk een bachelor- en masterdiploma bestuurs- en organisatiewetenschap, heb ik een leuke, bijpassende baan met bijpassend salaris en heb ik een jaar of vier 'echte' werkervaring. Als ik nog veel verder dan 2018 kijk, hoeft het vinden van een leuke en goedbetaalde baan geen probleem te zijn. Door de pensionering van de na-oorlogse baby-boom ontstaan er in 2012 in principe al meer vacatures dan door de schoolverlaters kan worden opgevuld. De logica van marktwerking wil dan dat in zo'n situatie van toenemende krapte de prijs hoger wordt. Lekker verdienen dus, én een leuke baan. Goed, tot zover wat 2018 en verder mij kan brengen.
Laat ik dan maar verder gaan met wat 2018 en later mij kan kosten. Een groot deel van het verhaal valt samen te vatten in vergrijzing.
Zo zullen de premies voor de AOW-uitkeringen verviervoudigen in 2040. Met verhoudingsgewijs de helft minder werkenden en twee keer zoveel gepensioneerden, zal véél meer premie moeten worden afgedragen om bejaarde baby-boomgeneratie een waardige oude dag te betalen.
Ten tweede zal zorg aanzienlijk duurder zijn. Een veel hogere premie voor zorgverzekeringen, een hogere premie door mijn werkgever voor de Zorgverzekeringswet en hogere eigen risico's. En dat terwijl veel minder zorg vergoed zal worden door de verzekeraar. Dat alles omdat er nou eenmaal ontzettend veel 65-plussers zijn die gemiddeld 10 à 20 keer meer zorgkosten maken dan ik.
Bovenstaande ontwikkelingen zijn ontwikkelingen waar we nou eenmaal niet zoveel aan kunnen doen. De mensen die er zijn, worden nou eenmaal ooit ook eens oud en zullen meer afhankelijk worden van de zorg van anderen. Iets anders is een dak boven het hoofd. Door het grootschalige (mis)bruik van de hypotheekrenteaftrek zijn huizenprijzen gemiddeld zes keer over de kop gegaan in de afgelopen 20 jaar. Kostte een huis in 1990 gemiddeld een dikke 60.000 euro, in 2012 ligt dat niet veel minder dan 3 ton. De stijging is vele malen groter dan de inflatie en inkomensstijging in diezelfde periode kunnen rechtvaardigen. Doordat de woning jarenlang (en helaas nog steeds) wordt gezien als een appel voor de dorst (voor later), zijn de huizenprijzen de hemel in gespeculeerd en kunnen zelfs academisch geschoolde starters nauwelijks nog met enig fatsoen een huis kopen. Een korte rekensom: was de waarde van een huis in 1990 gemiddeld 3,5 keer het toenmalig modaal inkomen, in 2012 is dat al 9,25 keer het huidige modaal inkomen. Zoals het er nu voor staat, zal ik dus ongeveer een drie keer zo hoge hypotheek hebben als de generatie van mijn ouders. En dat alles voor hetzelfde huis.
Eén van de belangrijkste ontwikkelingen op economisch vlak van de afgelopen 30 jaar is volgens mij globalisering. Dit heeft veel economische groei mogelijk gemaakt en biedt vooral ook veel kansen voor arme landen als China en India, die nu (mede) dankzij globalisering aan een gigantische opmars naar welvaart bezig zijn. Er kleven echter ook nadelen aan. In de afgelopen drie decennia is de maakindustrie grotendeels verdwenen naar lagelonenlanden als China en India. De maakindustrie die wel is gebleven, heeft door technologische ontwikkelingen de arbeidsproductiviteit enorm kunnen verhogen en biedt dan ook werk aan veel minder mensen. Het gros van de mensen werkt tegenwoordig dan ook in de dienstensector. Door globalisering samen met de opkomst van mega-economieën als China ontstaat echter ook in de dienstverlening steeds meer concurrentie. Door de mondiale economie die is ontstaan, is concurrentie tussen China en een land als Nederland ook echt mogelijk geworden. Ik ben benieuwd wat die concurrentie gaat doen met de werkgelegenheid in de oude ontwikkelde economieën als Nederland en vooral ook met de lonen. Een andere basale logica uit de markteconomie wil namelijk dat concurrentie prijzen drukt.
Daar komt nog bij dat de concurrentie in de dienstensector waar hoger opgeleiden werkzaam zijn op nationaal niveau ook toeneemt. Door de grote toename van het aantal mensen met een HBO en WO-diploma neemt de exclusiviteit ervan af. Een logisch gevolg zou zijn dat dit de salarissen van hoger opgeleid personeel drukt. Krapte op de arbeidsmarkt door vergrijzing, mondiale concurrentie en binnenlandse diplomaconcurrentie zullen de loonontwikkeling grotendeels bepalen. Zonder hierover uitspraken te doen, besluit ik met te zeggen dat ik met enige argwaan deze ontwikkelingen aanschouw.
De laatste ontwikkeling die ik hier wil noemen gaat ook over globalisering. Door globalisering zijn economieën niet meer los van elkaar te zien en kan een aardbeving in Japan zomaar de Amsterdamse beurs in elkaar doen zakken. In de afgelopen 15 jaar hebben we de beurswaarde van de AEX zien stijgen van 300 punten in 1997 naar 700 in 2000. Toen de internetzeepbel in 2001 knapte, zakte de beurs terug naar 250 punten in 2003, om vervolgens weer te stijgen naar 550 punten in 2007. In 2012 zijn we door de financiële crisis met 300 punten vervolgens weer terug bij af. Langetermijnbeleggingen zijn met dergelijke fluctuaties bijzonder lastig. De pensioenen van de baby-boom bestaat voor een aanzienlijk deel uit beursafhankelijke gelden. Daarmee heeft men na de Tweede Wereldoorlog veel geld kunnen verdienen. Zoveel zelfs, dat in de jaren '80 besloten is om de pensioenpremies te verlagen, omdat het onnodig was dat pensioenfondsen dekkingsgraden van 300 procent hadden. Anno 2012 is de pensioenpot niet toereikend om iedere premiebetaler het beoogde pensioen te kunnen betalen. Zal mijn generatie, gegeven de toegenomen afhankelijkheid van tal van factoren wereldwijd, ook in staat zijn om net zulke resultaten te boeken als de huidige baby-boomgeneratie?
Wie dit alles leest, moet mij vast een pessimist vinden. Toch heb ook ik zin in het jaar 2040, of in 2018. Maar goed, om terug te komen op 2012. Als de Maya's gelijk krijgen, hoef ik me over dit alles geen zorgen over te maken.
Dat was het nieuws
De auteur
- Joël
- Utrecht, Utrecht, Netherlands
- Op dit weblog probeer ik twee kenmerken van mij te combineren: enerzijds mijn maatschappelijke en politieke interesse anderzijds mijn liefde voor het schrijven. Het is mijn bedoeling om dit weblog (in welke vorm ook) uit te bouwen tot een leuke opiniewebsite, waar er veel ruimte is voor discussie en nieuwe ideeën.
zondag 1 januari 2012
donderdag 29 december 2011
2012, het jaar dat Nederland een nieuwe Tweede Kamer kiest
Toenmalig fractievoorzitter Mark Rutte wist in de verkiezingsperiode van het voorjaar van 2010 honderdduizenden kiezers warm te maken met zijn slogan 'De hypotheekrenteaftrek staat bij ons als een huis'. Net zoals de AOW-leeftijd en de arbeidsmarkt zou er niet gemorreld worden aan het heilige huis van het H-woord.
Toch beloofde de VVD ook 18 miljard te bezuinigen op de rijksbegroting, maar zogenaamd zonder dat Nederland daar iets van zou merken. Met oneliners als 'Subsidiekranen horen niet te lekken' en 'Zinvol bezuinigen is ook een kunst' heeft de VVD de kunstsector de nek omgedraaid en wordt het hoger onderwijs nog verder uitgeknepen. Helaas bracht haar eigen beleid en het economische noodweer in Europa nog meer onheil; belastinginkomsten vallen tegen en rijksuitgaven zijn hoger. Kortom, er moet nóg meer bezuinigd worden. De vraag is nu waar het kabinet het geld vandaan wil halen.
Makkelijk maakt het kabinet het zichzelf namelijk niet. Veel makkelijke slachtoffers zoals onderwijs en de kunstsector zijn al geconfronteerd met ingrijpende bezuinigingen. Kunst- en onderwijsinstellingen zijn nu druk in de weer om hun beleid aan te passen aan de sterk gewijzigde inkomstenpositie. Extra bezuinigingen op bijvoorbeeld onderwijs kan het implementatieproces van nieuw beleid eigenlijk niet aan. Bovendien heeft het kabinet stellig beloofd elke euro die bezuinigd wordt op onderwijs elders in het onderwijs te investeren. Om haar geloofwaardigheid te behouden zou het kabinet in dat geval jaarlijks al bijna een half miljard (hoger onderwijs en speciaal onderwijs) in het onderwijs moeten stoppen... Andere makkelijke prooien brengen ernstige bezwaren met zich mee: draconisch ingrijpen in de toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag) treffen voornamelijk de economisch zwakkeren. Hetzelfde geldt in meer of mindere mate voor de Bijstands- en WW-regelingen.
Hoewel Rutte stellig blijft beweren dat het H-woord bij hem staat als een huis, rekenen ambtenaren op de ministeries driftig door op diverse scenario's waarin het profijt van Ruttes heilige huis wordt ingeperkt. Met maatregelen als het buiten beschouwing laten van de aflossingsvrije hypotheken, slechts een percentage van de hypotheekrente aftrekbaar te maken of een plafond in te stellen voor de hoogte van de hypotheek kan al snel verschillende miljarden worden bespaard.
Een ander heilig huis, de AOW genaamd, staat bij dit kabinet ook als een huis. Pas vanaf 2020 wordt de AOW-leeftijd verhoogd naar 66 jaar en nog eens 5 jaar later hoeven we ons pas zorgen te maken over 67. Dat terwijl de AOW, net zoals het H-woord, een heel interessante post is om op te bezuinigen. Met maar liefst 30 miljard per jaar spant de AOW de kroon aan de uitgavenkant van de rijksbegroting. Het is niet verwonderlijk dat een verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 dan al snel miljarden oplevert. Maar nee, er zijn nou eenmaal te veel AOW-trekkers en mensen die op korte termijn op het geldinfuus van papa Staat aangesloten willen worden. Wie aan de oude dag van de eerlijke hardwerkende 60-plusser wil komen, pleegt electoraal gezien zelfmoord. Wie met deze mensen een normale discussie probeert te voeren over het verhogen van de AOW-leeftijd, krijgt te horen dat 'ze toch ook hun hele werkzame leven premie hebben betaald'. Dat klopt, en met die premie zijn de AOW-uitkeringen van de mensen die toen 65 jaar of ouder waren betaald. Alsof het de mensen niet gegund is om met pensioen te gaan. Nee, in 2040 zijn er de helft minder mensen om 2 keer zoveel AOW te betalen. Dat betekent dat de werkende man in 2040 vier keer zoveel premie moet betalen om de oudjes in leven te houden. In simpele taal: da kenne we nie betale. En dat wil ook niemand betalen. Om een lang verhaal kort te maken: onze regering doet er niks aan.
Waar ons kabinet wel mee zinspeelt, is met de studiefinanciering. Het afschaffen van de basisbeurs levert 800 miljoen op. Wie de studentenov-jaarkaart daar aan toevoegt komt op een nog hoger bedrag uit. Studenten, die zo rond de bijstandsgrens leven, kunnen volgens dit kabinet makkelijk een kwart van hun inkomsten missen. 65-plussers, waar een aanzienlijk deel goed in de slappe was zit door vette pensioenen, veel spaargeld en een eigen woning die de afgelopen 30 jaar in waarde vervijfvoudigd is, hebben daarentegen wel een verhoging van de AOW-uitkering nodig. Maar voorlopig is er nog licht aan de horizon: zélfs de Tweede Kamerfractie van de VVD is tegen de plannen om ook de basisbeurs zo dramatisch op de schop te doen.
Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen noemen, maar denk dat ik dit betoog kan reduceren tot het volgende. Ons kabinet moet/wil meer bezuinigen dan onze economie en samenleving eigenlijk kan verdragen en wil geenszins de grootste uitgavenposten van de rijksbegroting tegen het licht houden. Bezuinigen wordt in 2012 dan ook bijzonder lastig. Gezien de grote tegenstellingen qua ideologie en achtergrond tussen de coalitiepartijen en hun gedoger, zullen zij het over nieuwe grote bezuinigingen niet eens worden. En als dit kabinet dan niet uitkijkt, knalt zij uit elkaar.
Toch beloofde de VVD ook 18 miljard te bezuinigen op de rijksbegroting, maar zogenaamd zonder dat Nederland daar iets van zou merken. Met oneliners als 'Subsidiekranen horen niet te lekken' en 'Zinvol bezuinigen is ook een kunst' heeft de VVD de kunstsector de nek omgedraaid en wordt het hoger onderwijs nog verder uitgeknepen. Helaas bracht haar eigen beleid en het economische noodweer in Europa nog meer onheil; belastinginkomsten vallen tegen en rijksuitgaven zijn hoger. Kortom, er moet nóg meer bezuinigd worden. De vraag is nu waar het kabinet het geld vandaan wil halen.
Makkelijk maakt het kabinet het zichzelf namelijk niet. Veel makkelijke slachtoffers zoals onderwijs en de kunstsector zijn al geconfronteerd met ingrijpende bezuinigingen. Kunst- en onderwijsinstellingen zijn nu druk in de weer om hun beleid aan te passen aan de sterk gewijzigde inkomstenpositie. Extra bezuinigingen op bijvoorbeeld onderwijs kan het implementatieproces van nieuw beleid eigenlijk niet aan. Bovendien heeft het kabinet stellig beloofd elke euro die bezuinigd wordt op onderwijs elders in het onderwijs te investeren. Om haar geloofwaardigheid te behouden zou het kabinet in dat geval jaarlijks al bijna een half miljard (hoger onderwijs en speciaal onderwijs) in het onderwijs moeten stoppen... Andere makkelijke prooien brengen ernstige bezwaren met zich mee: draconisch ingrijpen in de toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag) treffen voornamelijk de economisch zwakkeren. Hetzelfde geldt in meer of mindere mate voor de Bijstands- en WW-regelingen.
Hoewel Rutte stellig blijft beweren dat het H-woord bij hem staat als een huis, rekenen ambtenaren op de ministeries driftig door op diverse scenario's waarin het profijt van Ruttes heilige huis wordt ingeperkt. Met maatregelen als het buiten beschouwing laten van de aflossingsvrije hypotheken, slechts een percentage van de hypotheekrente aftrekbaar te maken of een plafond in te stellen voor de hoogte van de hypotheek kan al snel verschillende miljarden worden bespaard.
Een ander heilig huis, de AOW genaamd, staat bij dit kabinet ook als een huis. Pas vanaf 2020 wordt de AOW-leeftijd verhoogd naar 66 jaar en nog eens 5 jaar later hoeven we ons pas zorgen te maken over 67. Dat terwijl de AOW, net zoals het H-woord, een heel interessante post is om op te bezuinigen. Met maar liefst 30 miljard per jaar spant de AOW de kroon aan de uitgavenkant van de rijksbegroting. Het is niet verwonderlijk dat een verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 dan al snel miljarden oplevert. Maar nee, er zijn nou eenmaal te veel AOW-trekkers en mensen die op korte termijn op het geldinfuus van papa Staat aangesloten willen worden. Wie aan de oude dag van de eerlijke hardwerkende 60-plusser wil komen, pleegt electoraal gezien zelfmoord. Wie met deze mensen een normale discussie probeert te voeren over het verhogen van de AOW-leeftijd, krijgt te horen dat 'ze toch ook hun hele werkzame leven premie hebben betaald'. Dat klopt, en met die premie zijn de AOW-uitkeringen van de mensen die toen 65 jaar of ouder waren betaald. Alsof het de mensen niet gegund is om met pensioen te gaan. Nee, in 2040 zijn er de helft minder mensen om 2 keer zoveel AOW te betalen. Dat betekent dat de werkende man in 2040 vier keer zoveel premie moet betalen om de oudjes in leven te houden. In simpele taal: da kenne we nie betale. En dat wil ook niemand betalen. Om een lang verhaal kort te maken: onze regering doet er niks aan.
Waar ons kabinet wel mee zinspeelt, is met de studiefinanciering. Het afschaffen van de basisbeurs levert 800 miljoen op. Wie de studentenov-jaarkaart daar aan toevoegt komt op een nog hoger bedrag uit. Studenten, die zo rond de bijstandsgrens leven, kunnen volgens dit kabinet makkelijk een kwart van hun inkomsten missen. 65-plussers, waar een aanzienlijk deel goed in de slappe was zit door vette pensioenen, veel spaargeld en een eigen woning die de afgelopen 30 jaar in waarde vervijfvoudigd is, hebben daarentegen wel een verhoging van de AOW-uitkering nodig. Maar voorlopig is er nog licht aan de horizon: zélfs de Tweede Kamerfractie van de VVD is tegen de plannen om ook de basisbeurs zo dramatisch op de schop te doen.
Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen noemen, maar denk dat ik dit betoog kan reduceren tot het volgende. Ons kabinet moet/wil meer bezuinigen dan onze economie en samenleving eigenlijk kan verdragen en wil geenszins de grootste uitgavenposten van de rijksbegroting tegen het licht houden. Bezuinigen wordt in 2012 dan ook bijzonder lastig. Gezien de grote tegenstellingen qua ideologie en achtergrond tussen de coalitiepartijen en hun gedoger, zullen zij het over nieuwe grote bezuinigingen niet eens worden. En als dit kabinet dan niet uitkijkt, knalt zij uit elkaar.
woensdag 16 november 2011
De Europese crisis is een politieke crisis. Daarom schaft men de politiek af.
Wie eerlijk voor zichzelf is moet toegeven dat de schuldencrisis die zich nu afspeelt in Europa zijn wortels heeft in structurele, systematische fouten. Dat is al sinds het begin van deze crisis duidelijk, maar toch zijn de leiders van de lidstaten kennelijk niet in staat om dit politieke probleem, dat elke dag groter en erger wordt, te beteugelen. Een eindeloos theater aan symboolpolitiek is het beste dat de Europese leiders kunnen presteren. Hieronder vallen de eindeloze noodleningen aan Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland, die in voor de gewone burger volstrekt onbegrijpelijke constructies worden verpakt om de gokverslaafden van het Beursplein maar tevreden te stellen. Tekenen van serieuze hervormingen van de financiële sector, de arbeidsmarkt en de woningmarkt zijn ver te zoeken. Platte bezuinigingen waarmee het laatste beetje leven in de Europese economieën wordt doodgeslagen of leeggezogen, dat wel. In de serie van Hervormingen Ontwijkend Gedrag (HOG), een variant van het onder studenten welbekende Studie Ontwijkend Gedrag (SOG), nu ook de nieuwste maatregel: het afschaffen van de politiek.
Na maanden van geëmmer, getouwtrek en netjes buigen voor Sarkozy en Merkel bezweek Papandreou aan de politieke gevolgen van een diepe economische crisis in zijn land. Een team crisismanagers, bestaande uit professionals uit het bedrijfsleven die nadrukkelijk NIETS te maken (willen) hebben met politiek, moet Griekenland van het faillissement redden. Opvallend vond ik dat bewust gekozen was voor een regering met mensen die zo min mogelijk met politiek te maken hebben. Oude wijze en ervaren mannen, volledig volgens Plato's voorbeeld van de ideale bestuurders, moeten het slagveld van de politici ruimen. Alsof politici een bepaald gen hebben dat hen politici maakt. Alsof deze mensen als politicus ter aarde zijn gekomen. Alsof het politicus-zijn een kwalijke ziekte is dat Griekenland bewust naar de afgrond heeft geholpen.
Hetzelfde is nu ook in Italië gebeurd. Berlusconi, één van de meest dubieuze Europese regeringsleiders, heeft na meer dan 100 moties van wantrouwen, schandalen die geen enkele andere politicus zou overleven en tientallen rechtszaken afstand moeten doen van het pluche waar hij na bijna twee decennia erg aan gewend was geraakt. Zijn coalitiegenoot presenteert vandaag, net zoals in Griekenland eerder gebeurde, een kabinet van oude wijze mannen die orde op zaken moeten stellen. Ook hier mag er niet onopgemerkt aan voorbij worden gegaan dat het geen politici zijn. Kom nou!
Politici zijn de boemannen geworden van de Europese crisis, de bron van alle kwaad. En dus moeten de politici zo ver mogelijk van de politiek worden gehouden.
Wat helaas vergeten wordt, is dat politici geen aparte diersoort zijn, geen kankergezwel vormen of gewoon de moedwillige veroorzakers van de crisis zijn. Politicus ben je automatisch als je 'een ambt of functie in de politiek vervult'. Van de nieuwe kabinetten in Griekenland en Italië hoeven we dus geen goedkope, simpele en pijnloze oplossing voor 'alles' te verwachten, alleen omdat het geen politici zouden zijn. Integendeel. Met de installatie van deze regeringen is gewoon een nieuwe club politici geïnstalleerd. En die politici zullen geen wonderen kunnen verrichten zolang ze verzuimen de echte problemen in de financiële sector, arbeidsmarkt, de woningmarkt en de gebrekkige onderlinge aansluiting van de Europese economieën aan te pakken.
Na maanden van geëmmer, getouwtrek en netjes buigen voor Sarkozy en Merkel bezweek Papandreou aan de politieke gevolgen van een diepe economische crisis in zijn land. Een team crisismanagers, bestaande uit professionals uit het bedrijfsleven die nadrukkelijk NIETS te maken (willen) hebben met politiek, moet Griekenland van het faillissement redden. Opvallend vond ik dat bewust gekozen was voor een regering met mensen die zo min mogelijk met politiek te maken hebben. Oude wijze en ervaren mannen, volledig volgens Plato's voorbeeld van de ideale bestuurders, moeten het slagveld van de politici ruimen. Alsof politici een bepaald gen hebben dat hen politici maakt. Alsof deze mensen als politicus ter aarde zijn gekomen. Alsof het politicus-zijn een kwalijke ziekte is dat Griekenland bewust naar de afgrond heeft geholpen.
Hetzelfde is nu ook in Italië gebeurd. Berlusconi, één van de meest dubieuze Europese regeringsleiders, heeft na meer dan 100 moties van wantrouwen, schandalen die geen enkele andere politicus zou overleven en tientallen rechtszaken afstand moeten doen van het pluche waar hij na bijna twee decennia erg aan gewend was geraakt. Zijn coalitiegenoot presenteert vandaag, net zoals in Griekenland eerder gebeurde, een kabinet van oude wijze mannen die orde op zaken moeten stellen. Ook hier mag er niet onopgemerkt aan voorbij worden gegaan dat het geen politici zijn. Kom nou!
Politici zijn de boemannen geworden van de Europese crisis, de bron van alle kwaad. En dus moeten de politici zo ver mogelijk van de politiek worden gehouden.
Wat helaas vergeten wordt, is dat politici geen aparte diersoort zijn, geen kankergezwel vormen of gewoon de moedwillige veroorzakers van de crisis zijn. Politicus ben je automatisch als je 'een ambt of functie in de politiek vervult'. Van de nieuwe kabinetten in Griekenland en Italië hoeven we dus geen goedkope, simpele en pijnloze oplossing voor 'alles' te verwachten, alleen omdat het geen politici zouden zijn. Integendeel. Met de installatie van deze regeringen is gewoon een nieuwe club politici geïnstalleerd. En die politici zullen geen wonderen kunnen verrichten zolang ze verzuimen de echte problemen in de financiële sector, arbeidsmarkt, de woningmarkt en de gebrekkige onderlinge aansluiting van de Europese economieën aan te pakken.
dinsdag 25 oktober 2011
KPN ziet winst en omzet fors dalen
"KPN ziet winst en omzet fors dalen", kopt NRC vanochtend op haar website. Een omzetdaling van maar liefst 3,4%. De daling van de winst was zo nodig nog erger: 9,4%. Je hoeft geen gestudeerde econoom te zijn om te begrijpen dat een bedrijf dit niet lang kan volhouden. Er zal snel iets drastisch moeten veranderen om Nederlands' grootste telecomreus te laten voortbestaan. Je hoeft óók geen waarzegger te zijn om deze tegenvallende cijfers te kunnen verklaren. Een korte analyse.
In een persbericht naar aanleiding van de slechte kwartaalcijfers verklaart KPN de tegenvallende resultaten door verplichte tariefverlagingen, toegenomen concurrentie en veranderend gedrag van klanten in de mobiele markt. Ik zie min of meer dezelfde problemen, alleen trek ik het hieronder iets breder.
Laat ik maar beginnen met het goede nieuws. KPN heeft, net zoals alle andere bedrijven wereldwijd, last van het economische tij. De (westerse) wereld verkeert inmiddels een jaar of 4 in economisch onweer en daar gaat ook KPN onder gebukt. Waarom is dit goed nieuws? Omdat het wel weer over gaat.
KPN heeft ooit de mooiste erfenis gekregen die een bedrijf zich kan wensen: een volledig telefonienetwerk dat alleen KPN ter beschikking werd gesteld. Kortom: een marktmonopolie, cadeau. KPN werd een begrip, net zoals haar voorganger, de PTT, ook een begrip was in telefonieland. Met relatief hoge tarieven (vergeleken met nu) heeft het bedrijf veel geld kunnen verdienen. Met de opkomst van ADSL in de jaren '90 kreeg KPN er een melkkoe bij: naast vaste telefonie was het nu ook mogelijk om breedbandinternet aan te bieden op hetzelfde netwerk. Vanaf de beginjaren van deze eeuw gingen de ontwikkelingen pas écht hard. De honger naar steeds snellere internetverbindingen was gigantisch en steeds meer mensen waagden zich op het internet. Aangezien nog maar op zeer kleine schaal breedbandinternet werd aangeboden via de coaxkabel, was KPN heer en meester op het gebied van vaste telefonie en breedbandinternet. In die tijd werkten kabelmaatschappijen echter ook hard aan het op grote schaal aanbieden van breedbandinternet via de kabel. Maar KPN lag te slapen. Een gebrek aan een goed vooruitziend oog heeft voorkomen dat KPN al meer dan 10 jaar geleden gigantische investeringen heeft gedaan in een landelijk dekkend glasvezelnetwerk. Een aantal jaar geleden werd dan ook pijnlijk duidelijk dat de melkkoe van KPN bejaard was geworden: kabelmaatschappijen wisten met het protocollen (Euro)-DOCSIS 2.0 het coaxkabelnetwerk, dat in Nederland wijd verspreid is, geschikt te maken voor breedbandinternet. Met Euro-DOCSIS 3.0 kunnen kabelmaatschappijen internetabonnementen aanbieden die tot wel 6 keer zo snel zijn als de maximaal haalbare snelheid met ADSL. In 2010 introduceerde KPN VDSL, een tussenstap tussen het oude (lees langzame) ADSL-netwerk en het supersnelle glasvezelnetwerk. Die technologie hadden ze al in 2005 in huis moeten hebben.
Ook op het gebied van mobiele telefonie heeft KPN steken laten liggen. De gigantische inkomsten uit vaste telefonie en internet had zij mede kunnen gebruiken om het allerbeste en allersnelste mobiele netwerk van Nederland op te bouwen. Maar ook hier heeft KPN haar concurrenten alle kansen geboden om zich op de Nederlandse markt te nestelen: op een netwerk dat thuishoort in de middenmoot worden abonnementen verkocht die aanzienlijk duurder dan gemiddeld zijn. Over die extra service en hogere kwaliteit van dienstverlening in vergelijking met de concurrent zijn de meningen zeer verdeeld.
Samenvattend: KPN was oppermachtig met een voor zijn tijd ongekend goed en verspreid kopernetwerk, maar zag zichzelf ook als koning in dat koninkrijk. Het uitblijven van tijdige investeringen in de opvolger van dat netwerk, glasvezel, maakt KPN tot wat het nu is: gewoon een telecombedrijf zoals er zovele zijn. Alleen dan één met een achterhaald netwerk dat steeds verder in onbruik raakt en veel geld kost voor onderhoud.
Nu ligt het lot van KPN niet geheel in haar eigen handen. Overheidsoptreden in de telecommarkt speelt hierin ook een cruciale rol. Al jaren ergert Den Haag en Brussel zich geel en groen (zie logo KPN) aan de hoge tarieven voor telefonie en internet. Brussel beoogt een vrije marktwerking te bevorderen. Zo ook in de telecomsector. En om dat te bereiken, heeft ze elke marktwerking in de sector onmogelijk gemaakt. Het gevoerde telecombeleid vanuit Brussel doet mij allerminst denken aan een beleid dat marktwerking moet stimuleren. Integendeel, het heeft meer kenmerken van een planeconomie. Een greep uit de wetgeving die voor deze sector is gemaakt in Brussel: Brussel bepaalt dat telecombedrijven hun netwerken ter beschikking moeten stellen aan derden die op dat netwerk ook diensten willen aanbieden. Oftewel: telecombedrijven moeten prijsvechters in de markt hun netwerk voor een vriendenprijsje ter beschikking stellen, zodat die bedrijven de eigenaren van het netwerk met prijsstunts kapot kunnen concurreren. Dat is wel het laatste dat een bedrijf dat een vrije keuze heeft zou doen. Maar daar blijft het niet bij. Zo bepaalt Brussel ook dat een sms'je vanuit het buitenland binnen de EU niet meer dan 11 eurocent mag kosten en stelt Brussel tarievenplafond voor dataverbruik met een mobiele telefoon. Dat het nog nooit voorgekomen is dat telecombedrijven onder de tarievenplafonds zijn gaan zitten, geeft aan dat er op zijn minst iets niet deugt met de marktwerking die Brussel beoogt.
Wie het overheidsbeleid wil verdedigen kan zeggen dat er meer telecombedrijven in de sector actief zijn en de prijzen voor consumenten flink gedaald zijn. Dat is waar, maar schijn bedriegt. Ten eerste zijn de prijzen gedaald omdat Brussel nou eenmaal bepaalt dat de tarieven niet hoger mogen zijn. Ten tweede omdat Brussel de weg vrij heeft gemaakt voor prijsvechters die voor een appel en een ei het netwerk van de oude telecomreuzen mogen gebruiken. De schamele vergoeding die de netwerkeigenaren daarvoor krijgen is onvoldoende om een miljardeninvestering te kunnen doen om een Europees dekkend glasvezelnetwerk aan te leggen. En laat dit laatste nou één van de ambities zijn waar onze eigen commissaris, Kroes, voor pleit.
Dus nee, de enorme overheidsbemoeienis in de telecomsector heeft niet voor marktwerking gezorgd. Wel voor lagere tarieven, met als gevolg dat er over een aantal jaar alle winst is afgeroomd en er dus niets meer valt te verdienen. Pure kaalslag dus.
Als laatste noem ik de meest recente ontwikkeling op de mobiele telecommarkt: mobiel internet. Uit de ervaring met vast internet weten we dat internet ons ongekende mogelijkheden biedt. Een oneindig grote informatiebron die voor een merendeel gratis is voor iedereen die een internetverbinding heeft. Nog nooit kon zowat alles dat op schrift gesteld is, audio en video zo eenvoudig aan de man worden gebracht. Maar ook met vrijwel alle grote commerciële initiatieven die het internet teweeg heeft gebracht hebben we gezien dat het moeilijk is er geld aan te verdienen. Neem nou Youtube, 's werelds meest populaire kanaal voor het bekijken van filmpjes, voornamelijk filmpjes waarop auteursrechten rusten. Youtube moet betalen om auteursrechtelijk beschermd materiaal te kunnen laten zien. Tel daarbij de gigantische kosten van de datacentra voor Youtube op en zie het gevolg: volgens Google is Youtube pas in 2009, een dikke drie jaar nadat Google het bedrijf gekocht heeft, kostendekkend. Een soortgelijk verhaal geldt voor bedrijven als Facebook en Twitter. Ongekend populair, maar hoe verdien je geld aan aan berichtje van 140 tekens en een sociale netwerksite? Het antwoord is steeds hetzelfde: middels advertenties. Maar dat is vaak lastiger dan het lijkt.
Wat heeft dit alles te maken met mobiel internet? Nou, wie goed vooruit heeft gedacht kon voorspellen dat mobiel internet in combinatie met de opkomst van mobiele telefoons die steeds meer mogelijkheden hebben de mogelijkheid biedt om de diensten waar het gros van de inkomsten van telecombedrijven vandaan komen ook via dat mobiele internet aan te bieden. Oftewel: bellen doe je niet meer via de provider, maar gewoon via Skype op je mobiele telefoon. Gratis of voor een vergoeding die slechts een fractie van de tarieven van de telecomaanbieder bedraagt. En sms'en doe je niet meer voor 10 cent per bericht, maar gewoon via Whats App voor een paar dollar per jaar. Onbeperkt.
Waarschijnlijk dachten telecombedrijven dat de gevolgen van mobiel internet voor hun inkomsten uit bellen en sms'en wel zouden meevallen. Maar het viel niet mee. En daarom blokkeerden ze massaal Skypeverkeer via hun mobiele netwerken en werd Whats App verboden. Tegelijkertijd startten providers met het nauwkeurig monitoren van het gebruik van dataverkeer en de toepassingen waarvoor die data gebruikt werd. Hier zagen juristen echter ook een kans, met als gevolg dat dit alles, van het blokkeren van dataverkeer tot het monitoren ervan, in Nederland is verboden middels de recent aangenomen wet ten behoeve van de netneutraliteit. Omdat deze ontwikkelingen de financiële prestaties van telecombedrijven bedreigen, zien zij zich genoodzaakt dat laatste vervelende te doen: het verhogen van de tarieven, iets wat al 25 jaar niet gebeurd is.
Recente ontwikkelingen doen denken aan het einde van de ICT-revolutie die sinds enkele decennia gaande is. KPN is slachtoffer geworden van verschillende ontwikkelingen op de telecommarkt, maar niet in de laatste plaats het door het eigen gevoerde beleid.
In een persbericht naar aanleiding van de slechte kwartaalcijfers verklaart KPN de tegenvallende resultaten door verplichte tariefverlagingen, toegenomen concurrentie en veranderend gedrag van klanten in de mobiele markt. Ik zie min of meer dezelfde problemen, alleen trek ik het hieronder iets breder.
Laat ik maar beginnen met het goede nieuws. KPN heeft, net zoals alle andere bedrijven wereldwijd, last van het economische tij. De (westerse) wereld verkeert inmiddels een jaar of 4 in economisch onweer en daar gaat ook KPN onder gebukt. Waarom is dit goed nieuws? Omdat het wel weer over gaat.
KPN heeft ooit de mooiste erfenis gekregen die een bedrijf zich kan wensen: een volledig telefonienetwerk dat alleen KPN ter beschikking werd gesteld. Kortom: een marktmonopolie, cadeau. KPN werd een begrip, net zoals haar voorganger, de PTT, ook een begrip was in telefonieland. Met relatief hoge tarieven (vergeleken met nu) heeft het bedrijf veel geld kunnen verdienen. Met de opkomst van ADSL in de jaren '90 kreeg KPN er een melkkoe bij: naast vaste telefonie was het nu ook mogelijk om breedbandinternet aan te bieden op hetzelfde netwerk. Vanaf de beginjaren van deze eeuw gingen de ontwikkelingen pas écht hard. De honger naar steeds snellere internetverbindingen was gigantisch en steeds meer mensen waagden zich op het internet. Aangezien nog maar op zeer kleine schaal breedbandinternet werd aangeboden via de coaxkabel, was KPN heer en meester op het gebied van vaste telefonie en breedbandinternet. In die tijd werkten kabelmaatschappijen echter ook hard aan het op grote schaal aanbieden van breedbandinternet via de kabel. Maar KPN lag te slapen. Een gebrek aan een goed vooruitziend oog heeft voorkomen dat KPN al meer dan 10 jaar geleden gigantische investeringen heeft gedaan in een landelijk dekkend glasvezelnetwerk. Een aantal jaar geleden werd dan ook pijnlijk duidelijk dat de melkkoe van KPN bejaard was geworden: kabelmaatschappijen wisten met het protocollen (Euro)-DOCSIS 2.0 het coaxkabelnetwerk, dat in Nederland wijd verspreid is, geschikt te maken voor breedbandinternet. Met Euro-DOCSIS 3.0 kunnen kabelmaatschappijen internetabonnementen aanbieden die tot wel 6 keer zo snel zijn als de maximaal haalbare snelheid met ADSL. In 2010 introduceerde KPN VDSL, een tussenstap tussen het oude (lees langzame) ADSL-netwerk en het supersnelle glasvezelnetwerk. Die technologie hadden ze al in 2005 in huis moeten hebben.
Ook op het gebied van mobiele telefonie heeft KPN steken laten liggen. De gigantische inkomsten uit vaste telefonie en internet had zij mede kunnen gebruiken om het allerbeste en allersnelste mobiele netwerk van Nederland op te bouwen. Maar ook hier heeft KPN haar concurrenten alle kansen geboden om zich op de Nederlandse markt te nestelen: op een netwerk dat thuishoort in de middenmoot worden abonnementen verkocht die aanzienlijk duurder dan gemiddeld zijn. Over die extra service en hogere kwaliteit van dienstverlening in vergelijking met de concurrent zijn de meningen zeer verdeeld.
Samenvattend: KPN was oppermachtig met een voor zijn tijd ongekend goed en verspreid kopernetwerk, maar zag zichzelf ook als koning in dat koninkrijk. Het uitblijven van tijdige investeringen in de opvolger van dat netwerk, glasvezel, maakt KPN tot wat het nu is: gewoon een telecombedrijf zoals er zovele zijn. Alleen dan één met een achterhaald netwerk dat steeds verder in onbruik raakt en veel geld kost voor onderhoud.
Nu ligt het lot van KPN niet geheel in haar eigen handen. Overheidsoptreden in de telecommarkt speelt hierin ook een cruciale rol. Al jaren ergert Den Haag en Brussel zich geel en groen (zie logo KPN) aan de hoge tarieven voor telefonie en internet. Brussel beoogt een vrije marktwerking te bevorderen. Zo ook in de telecomsector. En om dat te bereiken, heeft ze elke marktwerking in de sector onmogelijk gemaakt. Het gevoerde telecombeleid vanuit Brussel doet mij allerminst denken aan een beleid dat marktwerking moet stimuleren. Integendeel, het heeft meer kenmerken van een planeconomie. Een greep uit de wetgeving die voor deze sector is gemaakt in Brussel: Brussel bepaalt dat telecombedrijven hun netwerken ter beschikking moeten stellen aan derden die op dat netwerk ook diensten willen aanbieden. Oftewel: telecombedrijven moeten prijsvechters in de markt hun netwerk voor een vriendenprijsje ter beschikking stellen, zodat die bedrijven de eigenaren van het netwerk met prijsstunts kapot kunnen concurreren. Dat is wel het laatste dat een bedrijf dat een vrije keuze heeft zou doen. Maar daar blijft het niet bij. Zo bepaalt Brussel ook dat een sms'je vanuit het buitenland binnen de EU niet meer dan 11 eurocent mag kosten en stelt Brussel tarievenplafond voor dataverbruik met een mobiele telefoon. Dat het nog nooit voorgekomen is dat telecombedrijven onder de tarievenplafonds zijn gaan zitten, geeft aan dat er op zijn minst iets niet deugt met de marktwerking die Brussel beoogt.
Wie het overheidsbeleid wil verdedigen kan zeggen dat er meer telecombedrijven in de sector actief zijn en de prijzen voor consumenten flink gedaald zijn. Dat is waar, maar schijn bedriegt. Ten eerste zijn de prijzen gedaald omdat Brussel nou eenmaal bepaalt dat de tarieven niet hoger mogen zijn. Ten tweede omdat Brussel de weg vrij heeft gemaakt voor prijsvechters die voor een appel en een ei het netwerk van de oude telecomreuzen mogen gebruiken. De schamele vergoeding die de netwerkeigenaren daarvoor krijgen is onvoldoende om een miljardeninvestering te kunnen doen om een Europees dekkend glasvezelnetwerk aan te leggen. En laat dit laatste nou één van de ambities zijn waar onze eigen commissaris, Kroes, voor pleit.
Dus nee, de enorme overheidsbemoeienis in de telecomsector heeft niet voor marktwerking gezorgd. Wel voor lagere tarieven, met als gevolg dat er over een aantal jaar alle winst is afgeroomd en er dus niets meer valt te verdienen. Pure kaalslag dus.
Als laatste noem ik de meest recente ontwikkeling op de mobiele telecommarkt: mobiel internet. Uit de ervaring met vast internet weten we dat internet ons ongekende mogelijkheden biedt. Een oneindig grote informatiebron die voor een merendeel gratis is voor iedereen die een internetverbinding heeft. Nog nooit kon zowat alles dat op schrift gesteld is, audio en video zo eenvoudig aan de man worden gebracht. Maar ook met vrijwel alle grote commerciële initiatieven die het internet teweeg heeft gebracht hebben we gezien dat het moeilijk is er geld aan te verdienen. Neem nou Youtube, 's werelds meest populaire kanaal voor het bekijken van filmpjes, voornamelijk filmpjes waarop auteursrechten rusten. Youtube moet betalen om auteursrechtelijk beschermd materiaal te kunnen laten zien. Tel daarbij de gigantische kosten van de datacentra voor Youtube op en zie het gevolg: volgens Google is Youtube pas in 2009, een dikke drie jaar nadat Google het bedrijf gekocht heeft, kostendekkend. Een soortgelijk verhaal geldt voor bedrijven als Facebook en Twitter. Ongekend populair, maar hoe verdien je geld aan aan berichtje van 140 tekens en een sociale netwerksite? Het antwoord is steeds hetzelfde: middels advertenties. Maar dat is vaak lastiger dan het lijkt.
Wat heeft dit alles te maken met mobiel internet? Nou, wie goed vooruit heeft gedacht kon voorspellen dat mobiel internet in combinatie met de opkomst van mobiele telefoons die steeds meer mogelijkheden hebben de mogelijkheid biedt om de diensten waar het gros van de inkomsten van telecombedrijven vandaan komen ook via dat mobiele internet aan te bieden. Oftewel: bellen doe je niet meer via de provider, maar gewoon via Skype op je mobiele telefoon. Gratis of voor een vergoeding die slechts een fractie van de tarieven van de telecomaanbieder bedraagt. En sms'en doe je niet meer voor 10 cent per bericht, maar gewoon via Whats App voor een paar dollar per jaar. Onbeperkt.
Waarschijnlijk dachten telecombedrijven dat de gevolgen van mobiel internet voor hun inkomsten uit bellen en sms'en wel zouden meevallen. Maar het viel niet mee. En daarom blokkeerden ze massaal Skypeverkeer via hun mobiele netwerken en werd Whats App verboden. Tegelijkertijd startten providers met het nauwkeurig monitoren van het gebruik van dataverkeer en de toepassingen waarvoor die data gebruikt werd. Hier zagen juristen echter ook een kans, met als gevolg dat dit alles, van het blokkeren van dataverkeer tot het monitoren ervan, in Nederland is verboden middels de recent aangenomen wet ten behoeve van de netneutraliteit. Omdat deze ontwikkelingen de financiële prestaties van telecombedrijven bedreigen, zien zij zich genoodzaakt dat laatste vervelende te doen: het verhogen van de tarieven, iets wat al 25 jaar niet gebeurd is.
Recente ontwikkelingen doen denken aan het einde van de ICT-revolutie die sinds enkele decennia gaande is. KPN is slachtoffer geworden van verschillende ontwikkelingen op de telecommarkt, maar niet in de laatste plaats het door het eigen gevoerde beleid.
woensdag 5 oktober 2011
Met selectie aan de poort voor alle opleidingen worden we nog geen kenniseconomie nummer #1
Donderdag is er weer taart. Ter ere van de heugelijke gebeurtenis dat Bestuurs- en Organisatiewetenschap (B&O) in Utrecht, 'mijn' opleiding, wederom tot beste bestuurskundeopleiding is verkozen door Elsevier. Ik verwacht een speech van het departementshoofd en/of de onderwijsdirecteur, waarin de heilige waarden van het departement nog eens extra worden belicht: kleinschaligheid, selectie aan de poort, betrokken docenten, etc. En het resultaat zal ook niet onbesproken blijven: al jaren de beste bestuurskundeopleiding van Nederland, de laagste studentenuitval, de hoogste cijfers en de hoogste doorstroming. Kortom: wat zijn we toch óntzettend goed!
Als de resultaten van het jaarlijkse onderzoek van Elsevier de Heer Zijlstra opgevallen zijn, dan wordt hij daar ongetwijfeld erg vrolijk van. Zeker nu er in deze roerige tijden van bezuinigingen meer ruimte is om bestaande systemen ter discussie te stellen en 'het helemaal anders te doen'. Gezien de mooie resultaten van de selectieopleidingen, is het niet vreemd dat Den Haag zin heeft om selectie aan de poort op een veel grotere schaal in te zetten. Want dan daalt de uitval, stijgt de doorstroming, zijn de cijfers hoger en stijgt het niveau. Althans, zo wordt er gedacht.
Ik heb zo mijn twijfels. Er moet, one way or another, selectie plaatsvinden onder de studenten. Bij de meeste opleidingen gebeurt dit tijdens het eerste jaar van de bachelor. Studenten komen erachter dat ze de opleiding helemaal niet zo interessant, praktijkgericht en afwisselend vinden als de brochures, open dagen en meeloopactiviteiten hen deden geloven. Bij een grote opleiding als bedrijfskunde resulteert dit bijvoorbeeld in 45 procent afvallers gedurende het eerste bachelorjaar. Bij selectie aan de poort zijn er ook veel afvallers, maar deze vallen al af voordat ze aan de opleiding zijn begonnen. Zo doorlopen bij B&O elk jaar ongeveer 220 mensen de selectieprocedure, waarvan er slechts 90 overblijven. Ter vergelijking: een kleine 60 procent valt dus af. De mensen die vrijwillig stoppen met hun opleiding of niet door de selectie komen, beginnen bijna allemaal aan een nieuwe opleiding en uiteindelijk verlaten ze de universiteit met een diploma. Wel blijft de studenten een jaar studievertraging bespaard als ze van tevoren al afgewezen zijn voor de opleiding.
Het succes van selectie aan de poort wordt mede bepaald doordat het slechts bij enkele (kleine) opleidingen wordt toegepast. Hier ligt dan ook de kern van mijn kritiek op het grootschalig toepassen van selectie. Als alle opleidingen, zoals het kabinet dat graag ziet, vooraf gaan selecteren, worden studenten (meerdere malen) tussen opleidingen en universiteiten geschoven, omdat de afvallers niet zullen opgeven en zich zullen inschrijven bij een andere opleiding of dezelfde opleiding aan een andere universiteit. Tel daar nog bij op dat het kabinet zich ook voorgenomen heeft om universiteiten te dwingen zich te specialiseren op een bepaald vakgebied, waardoor een specifieke opleiding nog maar door één of enkele universiteiten wordt aangeboden en je ziet al voor je dat iemand die afvalt bij de selectie al snel een andere opleiding zal moeten kiezen.
En zo kom ik automatisch bij het volgende kritiekpunt: de gigantische bureaucratie die als gevolg van het invoeren van selectie aan de poort in het leven wordt geroepen. Ik heb grote moeite om me voor te stellen hoe grote opleidingen als rechten, psychologie en economie zich een weg moeten banen door een massa van vele honderden eerstejaars studenten, die bovendien in een kort tijdsbestek, namelijk tussen half juni en 1 september, door een selectieprocedure moeten worden gejaagd.
De enige manier om de praktische problemen van selectie aan de poort, namelijk de hoeveelheid werk en het tijdsbestek waarin de selectie moet plaatsvinden, uit de weg te gaan, is door een gelaagde sollicitatieprocedure toe te passen, waarin de focus ligt op objectief meetbare gegevens, zoals (examen)cijfers. Deze concessies halen juist de kracht van selectie aan de poort weg: het zoeken naar een 'match' tussen student en opleiding. Daarbij zijn juíst factoren die niet goed objectief meetbaar zijn en eigenlijk alleen aan het licht komen door de tijd te nemen voor een grondige selectieprocedure belangrijk. Want zoals iedereen wel weet, zijn artsen met de hoogste cijfers niet per definitie de beste doktoren.
Dus, beste minister, selectie aan de poort maakt van Nederland beslist niet kenniseconomie nummer één. Selectie aan de poort heeft alleen zin als het serieus wordt genomen en er dus ook serieus tijd voor kan worden uitgetrokken. En die tijd is er niet, want daarvoor moeten er simpelweg teveel studenten de procedure doorlopen op een veel te kort tijdsbestek. Nee, wat B&O sterk maakt als opleiding is kleinschaligheid, toegewijde docenten die zich samen sterk maken voor de waarden voor het departement, een relatief toegankelijk management dat ook op de werkvloer zichtbaar is en de betrokkenheid van studenten bij het departement. als organisatie. Maar helaas, beste minister, zou dat het Nederlandse hoger onderwijs nog veel duurder maken. En dat terwijl universiteiten 10% van hun budget moeten inleveren!
Als de resultaten van het jaarlijkse onderzoek van Elsevier de Heer Zijlstra opgevallen zijn, dan wordt hij daar ongetwijfeld erg vrolijk van. Zeker nu er in deze roerige tijden van bezuinigingen meer ruimte is om bestaande systemen ter discussie te stellen en 'het helemaal anders te doen'. Gezien de mooie resultaten van de selectieopleidingen, is het niet vreemd dat Den Haag zin heeft om selectie aan de poort op een veel grotere schaal in te zetten. Want dan daalt de uitval, stijgt de doorstroming, zijn de cijfers hoger en stijgt het niveau. Althans, zo wordt er gedacht.
Ik heb zo mijn twijfels. Er moet, one way or another, selectie plaatsvinden onder de studenten. Bij de meeste opleidingen gebeurt dit tijdens het eerste jaar van de bachelor. Studenten komen erachter dat ze de opleiding helemaal niet zo interessant, praktijkgericht en afwisselend vinden als de brochures, open dagen en meeloopactiviteiten hen deden geloven. Bij een grote opleiding als bedrijfskunde resulteert dit bijvoorbeeld in 45 procent afvallers gedurende het eerste bachelorjaar. Bij selectie aan de poort zijn er ook veel afvallers, maar deze vallen al af voordat ze aan de opleiding zijn begonnen. Zo doorlopen bij B&O elk jaar ongeveer 220 mensen de selectieprocedure, waarvan er slechts 90 overblijven. Ter vergelijking: een kleine 60 procent valt dus af. De mensen die vrijwillig stoppen met hun opleiding of niet door de selectie komen, beginnen bijna allemaal aan een nieuwe opleiding en uiteindelijk verlaten ze de universiteit met een diploma. Wel blijft de studenten een jaar studievertraging bespaard als ze van tevoren al afgewezen zijn voor de opleiding.
Het succes van selectie aan de poort wordt mede bepaald doordat het slechts bij enkele (kleine) opleidingen wordt toegepast. Hier ligt dan ook de kern van mijn kritiek op het grootschalig toepassen van selectie. Als alle opleidingen, zoals het kabinet dat graag ziet, vooraf gaan selecteren, worden studenten (meerdere malen) tussen opleidingen en universiteiten geschoven, omdat de afvallers niet zullen opgeven en zich zullen inschrijven bij een andere opleiding of dezelfde opleiding aan een andere universiteit. Tel daar nog bij op dat het kabinet zich ook voorgenomen heeft om universiteiten te dwingen zich te specialiseren op een bepaald vakgebied, waardoor een specifieke opleiding nog maar door één of enkele universiteiten wordt aangeboden en je ziet al voor je dat iemand die afvalt bij de selectie al snel een andere opleiding zal moeten kiezen.
En zo kom ik automatisch bij het volgende kritiekpunt: de gigantische bureaucratie die als gevolg van het invoeren van selectie aan de poort in het leven wordt geroepen. Ik heb grote moeite om me voor te stellen hoe grote opleidingen als rechten, psychologie en economie zich een weg moeten banen door een massa van vele honderden eerstejaars studenten, die bovendien in een kort tijdsbestek, namelijk tussen half juni en 1 september, door een selectieprocedure moeten worden gejaagd.
De enige manier om de praktische problemen van selectie aan de poort, namelijk de hoeveelheid werk en het tijdsbestek waarin de selectie moet plaatsvinden, uit de weg te gaan, is door een gelaagde sollicitatieprocedure toe te passen, waarin de focus ligt op objectief meetbare gegevens, zoals (examen)cijfers. Deze concessies halen juist de kracht van selectie aan de poort weg: het zoeken naar een 'match' tussen student en opleiding. Daarbij zijn juíst factoren die niet goed objectief meetbaar zijn en eigenlijk alleen aan het licht komen door de tijd te nemen voor een grondige selectieprocedure belangrijk. Want zoals iedereen wel weet, zijn artsen met de hoogste cijfers niet per definitie de beste doktoren.
Dus, beste minister, selectie aan de poort maakt van Nederland beslist niet kenniseconomie nummer één. Selectie aan de poort heeft alleen zin als het serieus wordt genomen en er dus ook serieus tijd voor kan worden uitgetrokken. En die tijd is er niet, want daarvoor moeten er simpelweg teveel studenten de procedure doorlopen op een veel te kort tijdsbestek. Nee, wat B&O sterk maakt als opleiding is kleinschaligheid, toegewijde docenten die zich samen sterk maken voor de waarden voor het departement, een relatief toegankelijk management dat ook op de werkvloer zichtbaar is en de betrokkenheid van studenten bij het departement. als organisatie. Maar helaas, beste minister, zou dat het Nederlandse hoger onderwijs nog veel duurder maken. En dat terwijl universiteiten 10% van hun budget moeten inleveren!
maandag 21 februari 2011
De kracht en zwakte van China
Lang dachten wij westerlingen dat een parlementaire democratie dé sleutel tot economische vooruitgang was. Middels grootschalige en duur betaalde indoctrinatie proberen we andere delen van de wereld, waar men 'het licht' nog niet heeft gezien, onze succesformule bij te brengen. Kapitalisme en democratie zouden, zoals mijn docent aardrijkskunde op de middelbare school dat altijd zo mooi wist samen te vatten, de ingrediënten zijn voor wat na-oorlogs Duitsland het 'Wirtschaftswunder' noemt.
Het Wirtschaftwunder 2.0 lijkt echter op andere peilers te rusten. Niet de clou van de Verlichting of de boodschap van de Franse Revolutie, maar een strakke hand van de overheid zet Zuidoost-Azië op de kaart. Een ijzeren hand, want die creëert orde en rust. En juist die twee zijn noodzakelijk om een land te laten opklimmen tot een modern industrieland. Hier in het Westen, maar evengoed in China.
Dictatoriaal China heeft een dubieuze invulling gegeven aan haar communistische geaardheid. Staatsrechtelijk is het een communistisch land, maar economisch is het net zo communistisch als Iran een democratie is. Kapitalisme is daar wél geoorloofd, want daar valt geld te verdienen. Communisme is leuk, maar een succesvol verdienmodel is het in ieder geval niet, zo kan de geschiedenis van de Sovjet-Unie ons vertellen. En juist die formule maakt het mogelijk om enerzijds een land strak te reguleren en controleren en anderzijds ondernemers alle ruimte te geven om zich vrij te bewegen. Economisch tenminste.
De wijze waarop de Chinese overheid de ingrediënten voor het verhaal achter de 10-procent-groeipercentages mogelijk maakt, maakt haar net zo zwak als zij sterk is. Nu Noord-Afrika haar leiders bij het grof vuil zet en meer democratie eist, zijn de Chinese autoriteiten extra op hun hoede. Deze roep om hervormingen zijn namelijk besmettelijk. Wat een paar maanden geleden begonnen is in Tunesië, spreidt zich nu al uit tot in het Midden-Oosten. De argwaan van de Chinese leiders is niet onterecht. China zit op één cruciaal punt na namelijk in exact hetzelfde schuitje als de Noord-Afrikaanse landen waar het volk nu strijdt voor een nieuwe grondwet.
Onderdrukking, corruptie, mensenrechtenschendingen, dictators, uitbuiting en censuur zijn motieven voor de massale demonstraties in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Én uitzichtloze armoede. En juist dit laatste vormt het verschil met China. Met China gaat het goed. De welvaart stijgt in rap tempo en dat maakt de bevolking niet alleen tevreden, maar ook trots. Voor de rest hangt China aan elkaar door een sterke (geheime) politie, door oppermacht van de leiders en de totale controle van de staat over de media en communicatiemiddelen. Ik moet er niet aan denken hoe het eruit zou zien als Egyptische praktijken zich zouden voordoen in China. Wat zou er dan overblijven van het succes van de 's werelds grootste kraamkamer van eigenlijk alles dat onze materialistische hartje begeert?
Het Wirtschaftwunder 2.0 lijkt echter op andere peilers te rusten. Niet de clou van de Verlichting of de boodschap van de Franse Revolutie, maar een strakke hand van de overheid zet Zuidoost-Azië op de kaart. Een ijzeren hand, want die creëert orde en rust. En juist die twee zijn noodzakelijk om een land te laten opklimmen tot een modern industrieland. Hier in het Westen, maar evengoed in China.
Dictatoriaal China heeft een dubieuze invulling gegeven aan haar communistische geaardheid. Staatsrechtelijk is het een communistisch land, maar economisch is het net zo communistisch als Iran een democratie is. Kapitalisme is daar wél geoorloofd, want daar valt geld te verdienen. Communisme is leuk, maar een succesvol verdienmodel is het in ieder geval niet, zo kan de geschiedenis van de Sovjet-Unie ons vertellen. En juist die formule maakt het mogelijk om enerzijds een land strak te reguleren en controleren en anderzijds ondernemers alle ruimte te geven om zich vrij te bewegen. Economisch tenminste.
De wijze waarop de Chinese overheid de ingrediënten voor het verhaal achter de 10-procent-groeipercentages mogelijk maakt, maakt haar net zo zwak als zij sterk is. Nu Noord-Afrika haar leiders bij het grof vuil zet en meer democratie eist, zijn de Chinese autoriteiten extra op hun hoede. Deze roep om hervormingen zijn namelijk besmettelijk. Wat een paar maanden geleden begonnen is in Tunesië, spreidt zich nu al uit tot in het Midden-Oosten. De argwaan van de Chinese leiders is niet onterecht. China zit op één cruciaal punt na namelijk in exact hetzelfde schuitje als de Noord-Afrikaanse landen waar het volk nu strijdt voor een nieuwe grondwet.
Onderdrukking, corruptie, mensenrechtenschendingen, dictators, uitbuiting en censuur zijn motieven voor de massale demonstraties in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Én uitzichtloze armoede. En juist dit laatste vormt het verschil met China. Met China gaat het goed. De welvaart stijgt in rap tempo en dat maakt de bevolking niet alleen tevreden, maar ook trots. Voor de rest hangt China aan elkaar door een sterke (geheime) politie, door oppermacht van de leiders en de totale controle van de staat over de media en communicatiemiddelen. Ik moet er niet aan denken hoe het eruit zou zien als Egyptische praktijken zich zouden voordoen in China. Wat zou er dan overblijven van het succes van de 's werelds grootste kraamkamer van eigenlijk alles dat onze materialistische hartje begeert?
donderdag 20 januari 2011
Hypocrisie ten top!
De zo vurig gewenste hoorzitting van de directeuren van de Nederlandse Spoorwegen en spoorbeheerder Prorail hebben nu plaatsgevonden in de Tweede Kamer. Volkskrant heeft hierover te melden dat de topbazen van het Nederlandse spoor spijt betuigd hebben en het desfunctioneren tijdens de sneeuwachtige wintermaanden erkennen (bron)
De grote vraag voor nu is: wat gaat de politiek in Den Haag met deze spijtbetuiging doen? Gaat zij, zoals een eerder bericht van NRC al doet vermoeden (bron), geen maatregelen treffen en de grote bazen de hand boven het hoofd houden? Een meerderheid in de de Tweede Kamer heeft net voor de jaarwisseling al laten weten niets te zien in een openbare aanbesteding van de vervoerders over het spoor. De verklaring die zij daarvoor geeft, schetst weer eens fantastisch in hoeverre de Nederlandse economische belangen voor de kwaliteit van de dienstverlening gaat. VVD-kamerlid Charlie Aptroot stelt dat:
Een schitterend staaltje hypocrisie is dit. In 1995 werd door kabinet Paars-I besloten om NS op te splitsen in een staatsbedrijf dat het spoor moet beheren en een vervoerbedrijf dat een concessie van de overheid krijgt om van dit spoor gebruik te mogen maken. Deze beslissing zou het spoor aanzienlijk goedkoper maken, én, nog veel belangrijker, zou dienstverlening en prijs onder druk van de concurrentie alleen maar verbeteren (bron). Zo'n vijftien jaar later, eind 2010 en begin 2011, besluit de Tweede Kamer dat NS een nieuwe concessie krijgt om hoofdvervoerder te zijn na 2015. Dit, ondanks het niet functioneren van zowel NS als ProRail. Concurrentie wordt in de kiem gesmoord, want dit zou de doodslag betekenen voor NS. Bij een hoorzitting van de topbazen van beide bedrijven betuigen de hoge heren natuurlijk spijt aan de Tweede Kamer en vervolgens doet zowel onze volksvertegenwoordiging als het kabinet niets om de problemen op het spoor in de toekomst te voorkomen. Natuurlijk wordt dit niet gedaan omdat het hen nou werkelijk zo speet of omdat ze werkelijk inzien dat de NS en ProRail verschillende jaren op rij het minste of geringste beetje winterweer niet functioneerden, maar eenvoudigweg omdat het volk dat van hen verwacht. Dit onder het mom van 'Doe nou maar alsof het je speet, dan hoeven we verder niet meer te praten over die concessie'.
Kortom, laten we deze heren gewoon de hand boven het hoofd houden en daarmee blijft de situatie zoals die al was. Waardeloos dus.
De grote vraag voor nu is: wat gaat de politiek in Den Haag met deze spijtbetuiging doen? Gaat zij, zoals een eerder bericht van NRC al doet vermoeden (bron), geen maatregelen treffen en de grote bazen de hand boven het hoofd houden? Een meerderheid in de de Tweede Kamer heeft net voor de jaarwisseling al laten weten niets te zien in een openbare aanbesteding van de vervoerders over het spoor. De verklaring die zij daarvoor geeft, schetst weer eens fantastisch in hoeverre de Nederlandse economische belangen voor de kwaliteit van de dienstverlening gaat. VVD-kamerlid Charlie Aptroot stelt dat:
Als Deutsche Bahn een openbare aanbesteding zou winnen, dan verdwijnt de NS.Een openbare aanbesteding betekent namelijk dat andere vervoerbedrijven ook aanspraak mogen maken op een concessie voor (delen van) Nederland. Onze nationale trots (of ellende) NS zou niet kunnen opboksen tegen het veel grotere Deutsche Bahn en daarmee vrijwel volledig van de markt verdwijnen.
Een schitterend staaltje hypocrisie is dit. In 1995 werd door kabinet Paars-I besloten om NS op te splitsen in een staatsbedrijf dat het spoor moet beheren en een vervoerbedrijf dat een concessie van de overheid krijgt om van dit spoor gebruik te mogen maken. Deze beslissing zou het spoor aanzienlijk goedkoper maken, én, nog veel belangrijker, zou dienstverlening en prijs onder druk van de concurrentie alleen maar verbeteren (bron). Zo'n vijftien jaar later, eind 2010 en begin 2011, besluit de Tweede Kamer dat NS een nieuwe concessie krijgt om hoofdvervoerder te zijn na 2015. Dit, ondanks het niet functioneren van zowel NS als ProRail. Concurrentie wordt in de kiem gesmoord, want dit zou de doodslag betekenen voor NS. Bij een hoorzitting van de topbazen van beide bedrijven betuigen de hoge heren natuurlijk spijt aan de Tweede Kamer en vervolgens doet zowel onze volksvertegenwoordiging als het kabinet niets om de problemen op het spoor in de toekomst te voorkomen. Natuurlijk wordt dit niet gedaan omdat het hen nou werkelijk zo speet of omdat ze werkelijk inzien dat de NS en ProRail verschillende jaren op rij het minste of geringste beetje winterweer niet functioneerden, maar eenvoudigweg omdat het volk dat van hen verwacht. Dit onder het mom van 'Doe nou maar alsof het je speet, dan hoeven we verder niet meer te praten over die concessie'.
Kortom, laten we deze heren gewoon de hand boven het hoofd houden en daarmee blijft de situatie zoals die al was. Waardeloos dus.
Abonneren op:
Berichten (Atom)